Wanneer is noodverlichting noodzakelijk?

Arbeidsplaatsen waar werknemers, bij uitvallen van het kunstlicht, aan bijzondere gevaren zijn blootgesteld, moeten voorzien zijn van adequate noodverlichting.
Bijzondere gevaren kunnen zijn: situaties waar gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen, gevaarlijke machines, en ruimtes waaruit processen worden geregeld. 

Op deze werkplekken moet noodverlichting (10% van de normale verlichtingssterkte) aanwezig zijn. De noodverlichting moet in werking gesteld worden binnen 5 seconden na uitvallen van de normale elektriciteit en tot minimaal één uur daarna blijven branden.
 
In ruimten zonder daglichttoetreding is altijd noodverlichting aanwezig, als zich in deze ruimten personen kunnen ophouden.
 
Als bij uitval van de normale verlichting werkzaamheden moeten worden verricht (of dringende handelingen bij calamiteiten), dan levert de noodverlichtingsinstallatie zoveel licht dat deze werkzaamheden zonder bezwaar kunnen worden uitgevoerd.
Nood- en evacuatieverlichtingsarmatuur moet worden geïnstalleerd:

  • bij elke uitgang die bedoeld is voor gebruik in geval van nood
  • binnen 2 m van trappen
  • binnen 2 m bij niveauverschillen
  • bij voorgeschreven nooduitgangen en veiligheidssignaleringen
  • bij richtingsveranderingen
  • bij elke kruising van gangen
  • aan de buitenkant van en in de nabijheid van elke uitgang naar buiten
  • bij elke EHBO-post
  • bij vluchtwegen (minimaal 1 lux)
  • bij elk onderdeel van de brandbestrijdingsuitrusting en brandmelders.