Blootstelling aan gevaarlijke stoffen: samen aanpakken!
In veel organisaties krijgt de blootstelling aan gevaarlijke stoffen niet de aandacht die het verdient. Het resultaat: onnodig veel beroepsziekten en 3000 (ex)medewerkers per jaar die vervroegd overlijden ten gevolge van blootstelling aan gevaarlijke stoffen. In vier stappen naar een beleid voor gevaarlijke stoffen in een organisatie.
Al flink wat jaren staat de terugdringing van blootstelling aan gevaarlijke stoffen hoog op de agenda van het Ministerie van SZW. In het kader van blootstelling aan gevaarlijke stoffen heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie in 2025 speciale aandacht voor de hoog risico sectoren zoals luchthavens, metaal-, hout-, timmer- en meubelindustrie en industriële schoonmaak. Verder geeft de Arbeidsinspectie in het jaarplan 2025 aan dat Dieselmotoremissie (DME) een kankerverwekkende stof is die de hoogste mate van werkgerelateerde ziektelast veroorzaakt. Blootstelling hieraan komt voor in uiteenlopende sectoren van de arbeidsmarkt. Acties van de inspectie richten zich daarom op om diverse stakeholders, zoals branche-organisaties, te informeren over de gezondheidsrisico’s van DME en daarnaast wordt een mix aan interventies ingezet om het naleefgedrag van werkgevers te verbeteren o.a. in de vorm van controles op de naleving van de regels uit de arbowetgeving.
De Arbeidsinspectie vindt dat de werkgever aantoonbaar verantwoordelijkheid moet nemen om medewerkers te beschermen tegen blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Hier is een belangrijke rol weggelegd voor de diverse arboprofessionals binnen het bedrijf. Ook in samenwerking met bedrijfsartsen want beroepsziekten zijn nog teveel een blinde vlek binnen bedrijven en bij bedrijfsartsen.
In het kader van beroepsziekten als gevolg van blootstelling aan gevaarlijke stoffen ligt er een voorstel om in 2025 beroepsziekten ten gevolge van blootstelling aan houtstof en blootstelling aan kwartsstof toe te voegen aan de regeling tegemoetkoming stoffen gerelateerde beroepsziekten (TSB).
Dit alles vraagt dus om een actieve houding van de arboprofessionals in bedrijven waar medewerkers worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen. De arbowetgeving geeft belangrijke aanknopingspunten die je goed kunt gebruiken als arboprofessional. Daarnaast is het de OR die je kan steunen vanuit hun rechten op basis van de Wet op de ondernemingsraden (WOR). Denk hierbij aan het instemmingsrecht, het initiatiefrecht en het recht op informatie.
Stappenplan terugdringen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen
In de arbowetgeving zijn een flink aantal verplichtingen opgenomen in het kader van het tegen gaan van blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Dit zijn:
- De risico-inventarisatie- en evaluatie (RI&E) en nader onderzoek naar blootstelling aan gevaarlijke stoffen waarbij de aard, de mate en de duur van de blootstelling in kaart wordt gebracht.
- Het vaststellen van grenswaarden van gevaarlijke stoffen door de werkgever wanneer er geen wettelijke grenswaarden zijn vastgesteld.
- Diverse extra verplichtingen bij blootstelling aan kankerverwekkende, mutagene stoffen en reproductietoxische stoffen (CMR-stoffen) zoals: register van blootstelling met hierin en lijst van werknemers die worden of kunnen worden blootgesteld aan deze stoffen en een onderbouwing voor het gebruik van deze stoffen.
- Het toepassen van de arbeidshygiënische strategie: de STOP strategie (Substitutie, Technische maatregelen, Organisatorische maatregelen en Persoonlijke beschermingsmiddelen).
- Etikettering door de leverancier en bij ompakken of mengen door de werkgever.
- Aandacht voor bijzondere groepen zoals jeugdigen en zwangeren.
- Zorgen voor voorlichting, onderricht en toezicht.
- Periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek (PAGO).
Dit alles vormt samen de basis van het gevaarlijke stoffen beleid wat bestaat uit vier stappen:
- Inventariseren
- Beoordelen
- Maatregelen nemen
- Borgen
Een praktisch hulpmiddel om te toetsen of je op de goede weg bent is Werken met gevaarlijke stoffen | Zelfinspectie door de Nederlandse Arbeidsinspectie en ook de Nederlandse Vereniging voor Arbeidshygiëne heeft een handig hulpmiddel ontwikkeld voor preventiemedewerkers: Beroepsziekten - Nederlandse Vereniging voor Arbeidshygiëne
1. Inventariseren
Dit is de moeilijkste stap en tevens de basis voor de rest van het beleid. Bij de inventarisatie moeten alle gevaarlijke stoffen in kaart worden gebracht die een risico kunnen vormen voor de veiligheid en gezondheid van medewerkers. Denk hierbij aan stoffen die worden gebruikt, stoffen die worden gemaakt maar ook aan stoffen die ontstaan tijdens het werk zoals lasrook. Dit valt onder de verplichting van de RI&E en wordt nader uitgewerkt in een verdiepend onderzoek naar de blootstelling aan gevaarlijke stoffen, een verdiepende RI&E gevaarlijke stoffen.
Hierbij moet specifiek aandacht zijn voor de registratie van CMR-stoffen. Wanneer het gaat om het gebruik hiervan dan moet onderbouwd worden waarom deze stoffen niet vervangen kunnen worden door minder schadelijke stoffen. Ook moet worden vastgesteld op welke manier medewerkers worden blootgesteld, via de huid, de luchtwegen en/of de spijsvertering.
De aangewezen gecertificeerde arbokerndeskundige hiervoor is de arbeidshygiënist. In deze verdiepende RI&E moeten de specifieke risico’s van de stof in kaart worden gebracht zoals bijvoorbeeld irriterend, mutageen of reprotoxisch en ook de grenswaarden via de ademhaling en via de huid indien deze bekend zijn.
Ten slotte is het van belang om na te gaan of de stoffen staan op de autorisatielijst: stoffen die u niet mag gebruiken, behalve als er voor een bepaald gebruik een autorisatie is verkregen. Of op de restrictielijst: stoffen waarvoor restricties gelden.
2. Beoordelen
Om de risico’s goed in kaart te kunnen brengen is het belangrijk om te weten wat het blootstellingsniveau is. Het blootstellingsniveau geeft aan in welke mate werknemers de gevaarlijke stof binnenkrijgen. Deze waarde bestaat uit twee componenten: de concentratie van een gevaarlijke stof waaraan een werknemer wordt blootgesteld en hoe vaak en hoe lang de blootstelling plaatsvindt. Het blootstellingsniveau kan worden vastgesteld door het daadwerkelijk meten van de blootstelling, hiervoor zijn specifieke meetmethoden vastgesteld. Of door gebruik te maken van een kwantitatieve schattingsmethode. Wanneer het blootstellingniveau is vastgesteld kan het worden getoetst aan de grenswaarden. De arbeidshygiënist kan hierbij helpen. Aanvullend op de beoordeling kan ook meteen een periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek (PAGO) worden aangeboden aan de medewerkers die worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen.
Elke medewerker heeft recht op een PAGO in het kader van blootstelling aan gevaarlijke stoffen. De inhoud en de frequentie van het onderzoek hangen af van de risico’s die de medewerkers lopen. De bedrijfsarts kan hierover op basis van de RI&E adviseren. De werkgever is verplicht een PAGO aan te bieden, werknemers zijn niet verplicht om gebruik te maken van het PAGO.
Ook moet elke nieuwe medewerker een arbeidsgezondheidskundig onderzoek aangeboden krijgen die voor de eerste keer kan worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen. Het onderzoek moet gebeuren vóórdat de werknemer begint aan de werkzaamheden met gevaarlijke stoffen. Het onderzoek moet gericht zijn op de specifieke risico’s van de stoffen waar de medewerker aan kan worden blootgesteld.
De Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) en de NVvA hebben een hiervoor een PMO: Leidraad voor preventief medisch onderzoek van werkenden - NVAB ontwikkeld. Ook de analyse van het verzuim door de bedrijfsarts kan een belangrijke bijdrage leveren.
3. Maatregelen nemen
Bij de aanpak van de blootstelling aan gevaarlijke stoffen is de STOP strategie het belangrijkste uitgangspunt. Dit betekent dat je de maatregelen in de juiste volgorde toepast. Hierbij staat de aanpak aan de bron in de vorm van Substitutie met stip op nummer 1! Zeker wanneer het gaat om kankerverwekkende en mutagene stoffen. Als er geen goede reden is moeten deze stoffen altijd worden vervangen door minder schadelijke stoffen. Substitutie houdt in dat als eerste wordt bepaald of de gevaarlijke stof vervangen kan worden door een stof die geen risico’s oplevert voor de veiligheid en gezondheid van medewerkers.
Is dit echt niet mogelijk, dan volgt niveau twee: welke Technische maatregelen kunnen worden genomen om blootstelling te voorkomen of te beperken, denk hierbij aan een gesloten systeem of bronafzuiging.
Niveau drie is het nemen van Organisatorische maatregelen. Organiseer het werk zo dat zo min mogelijk medewerkers in aanraking kunnen komen met de gevaarlijke stof. Voor de medewerkers die hier wel mee in aanraking komen kan de blootstellingsduur worden verkorten, bijvoorbeeld door taakroulatie.
Niveau vier staat voor het dragen van Persoonlijke beschermingsmiddelen, PBM’s.
Voor CRM-stoffen geldt dat geregistreerd moet worden welke medewerkers hieraan worden blootgesteld. Het heeft de voorkeur om deze gegevens ook op te slaan in het medisch dossier van de betreffende medewerker. Medewerkers hebben hierop inzagerecht conform de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en moeten minimaal 40 jaar worden bewaard.
Nadenken over passende maatregelen vraagt als eerste om gezond verstand, de Nederlandse Arbeidsinspectie geeft hiervoor een handige checklist: Checklist maatregelen met gezond verstand bij werken met gevaarlijke stoffen | Hulpmiddel | Nederlandse Arbeidsinspectie
4. Borgen
Belangrijk is dat geëvalueerd wordt of maatregelen effectief zijn. Zorg er daarom voor dat er structureel een PAGO wordt aangeboden aan alle medewerkers die bloot worden gesteld aan gevaarlijke stoffen.
Veranderingen zijn vaak aan de orde van de dag. Bij elke verandering is het belangrijk om na te gaan of de genomen maatregelen nog voldoende zijn. Voorbeelden van interne veranderingen zijn nieuwe medewerkers, werken met zzp’ers of uitzendkrachten of het maken van een nieuw product. Voorbeelden van externe veranderingen zijn de herziening van het veiligheidsinformatieblad (VIB) van een gevaarlijke stof of de aanpassing van de grenswaarden van een stof. Veranderingen kunnen nieuwe risico’s opleveren waardoor er nieuwe/andere maatregelen moeten worden genomen. Het is daarom verstandig om het beleid actueel te houden. Dit kan door minimaal één keer per jaar alles rondom gevaarlijke stoffen in het bedrijf te checken. Besteed hierbij ook specifiek aandacht aan procedures rondom onderhoud van technische voorzieningen en de schoonmaak.
Dan is er de verplichting rond goede voorlichting en instructie over risico’s en maatregelen aan medewerkers die blootgesteld kunnen worden aan gevaarlijke stoffen. Belangrijk is dat alle medewerkers weten hoe zij veilig moeten werken met gevaarlijke stoffen. Dit vraagt speciale aandacht voor bijzondere groepen in het bedrijf zoals bijvoorbeeld tijdelijke krachten en medewerkers die de Nederlandse taal niet beheersen. Daarnaast lopen zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven soms extra risico. Ook hier moet aandacht voor zijn.
In het kader van bewustwording heeft NAPO een aantal relevante filmpjes ontwikkeld rond blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Ze zijn te vinden via de onderstaande links. https://www.napofilm.net/nl/napos-films/napo-dust-work/explosive-mix-napo-dust-work https://www.napofilm.net/nl/napos-films/napo-dust-work/wood-dust-napo-dust-work https://www.napofilm.net/nl/napos-films/napo-danger-chemicals |
Naast voorlichting is ook dagelijks toezicht op de werkvloer belangrijk. Denk hierbij aan het nagaan of werknemers werken volgens de veiligheidsinstructies en of ze de persoonlijke beschermingsmiddelen juist gebruiken, onderhouden en reinigen.
Mocht er toch iets misgaan dan is een passende BHV-organisatie van het grootste belang. Deze moet zijn afgestemd op de risico’s van gevaarlijke stoffen die aanwezig zijn in het bedrijf. Dit is zowel van belang in het kader van ontruiming en blusmethodes als voor het geven van passende hulp aan de slachtoffers.
Blootstelling aan gevaarlijke stoffen: elf vragen
Om een eerste idee te krijgen over waar het bedrijf staat in het kader van gevaarlijke stoffen beleid kun je als arboprofessional / preventiemedewerker de onderstaande vragen doorlopen.
- Wordt onnodig gebruik van gevaarlijke stoffen voorkomen?
- Is er een registratie van medewerkers die worden blootgesteld aan CMR-stoffen?
- Bekijk het huidige register van gevaarlijke stoffen, voldoet het aan alle eisen?
- Zijn op alle afdelingen binnen het bedrijf de risico’s van de gevaarlijke stoffen bekend en zijn de juiste maatregelen genomen?
- Is de STOP strategie het uitgangspunt van de maatregelen?
- Zijn medewerkers op de hoogte van de belangrijkste regels en procedures?
- Is de toezicht op de naleving hiervan op orde?
- Is er specifiek aandacht voor procedures rondom onderhoud van technische voorzieningen en de schoonmaak?
- Krijgen medewerkers die blootstaan aan gevaarlijke stoffen een PAGO aangeboden?
- Worden er niet onnodig gevaarlijke stoffen of restproducten bewaard?
- Worden de PBM’s volgens de regels gebruikt en onderhouden?
Hierna kun je bovenstaande vragen in gesprek met de OR doornemen en elkaar versterken van de eigen invloed en mogelijkheden om de blootstelling aan gevaarlijke stoffen te voorkomen of te verminderen.


